Vleermuisonderzoek bij verbouwing: wanneer is het verplicht?
Je wilt je dak vernieuwen, de gevel renoveren, een aanbouw realiseren of je woning grondig verduurzamen. Dan verwacht je waarschijnlijk niet direct dat vleermuizen invloed kunnen hebben op je plannen. Toch kunnen juist bij werkzaamheden aan bestaande woningen beschermde vleermuizen een belangrijke rol spelen.
Vleermuizen kunnen namelijk verblijven in spouwmuren, onder dakpannen, achter gevelbekleding en in allerlei kleine ruimtes in en rond een gebouw. Sommige verblijfplaatsen zijn vanaf de buitenkant vrijwel niet te zien.
Dat roept een belangrijke vraag op: wanneer is vleermuisonderzoek bij een verbouwing verplicht?
Het korte antwoord is dat niet voor iedere verbouwing automatisch een volledig vleermuisonderzoek verplicht is. Je moet echter wel rekening houden met de beschermingsregels uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn en je werkzaamheden negatieve gevolgen voor deze dieren of hun verblijfplaatsen kunnen hebben, moet je voldoende onderzoek doen om te bepalen wat de gevolgen zijn en of de werkzaamheden zijn toegestaan.
Waarom zijn vleermuizen beschermd?
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd. Voor de soorten die onder de Habitatrichtlijn vallen, zijn de relevante beschermingsregels onder de Omgevingswet onder andere opgenomen in artikel 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Daarin staan verboden die onder meer betrekking hebben op het opzettelijk doden of vangen en het opzettelijk verstoren van bepaalde beschermde dieren. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is beschermd.
Dat laatste is bij verbouwingen bijzonder belangrijk.
Een vleermuis hoeft namelijk niet op het moment van de werkzaamheden zichtbaar in een opening te zitten om een locatie ecologisch en juridisch relevant te maken. Een gebouw kan verschillende functies voor vleermuizen hebben.
Meer informatie over het juridische kader vind je bij Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) over soorten van de Habitatrichtlijn.
Waar zitten vleermuizen in een woning?
Wie aan een vleermuisverblijf denkt, ziet misschien als eerste een grot voor zich. In Nederland maken verschillende soorten echter veelvuldig gebruik van gebouwen.
Een bekend voorbeeld is de gewone dwergvleermuis. Volgens het actuele kennisdocument van BIJ12 is deze soort sterk gebonden aan gebouwen.
Mogelijke verblijfplaatsen bevinden zich bijvoorbeeld in:
- spouwmuren;
- achter gevelbekleding;
- achter boeiboorden;
- onder dakpannen;
- onder dakranden;
- bij daklijsten;
- rond schoorstenen;
- in andere nauwe ruimten in een gebouw.
Een opening hoeft daarbij maar klein te zijn. Dat maakt het voor een woningeigenaar lastig om zelf te beoordelen of een gebouw door vleermuizen wordt gebruikt.
BIJ12 heeft hiervoor een uitgebreid Kennisdocument Gewone dwergvleermuis beschikbaar. Dit kennisdocument is in 2024 volledig vernieuwd op basis van actuele ecologische kennis.
Wanneer is vleermuisonderzoek bij een verbouwing verplicht?
Hier ontstaat vaak verwarring.
Er bestaat geen eenvoudige landelijke regel in de vorm: bij iedere dakrenovatie moet je een vleermuisonderzoek laten uitvoeren.
Onder de Omgevingswet is de vraag vooral of je werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde soorten. Voor flora- en fauna-activiteiten geldt bovendien een specifieke zorgplicht. In ons artikel over ecologisch onderzoek bij een verbouwing leggen we uitgebreider uit wanneer natuuronderzoek bij bouw- en renovatiewerkzaamheden nodig kan zijn en welke beschermde soorten daarbij een rol spelen.
RVO beschrijft in het actuele stappenplan voor flora- en fauna-activiteiten als eerste stap dat onderzocht moet worden of beschermde soorten op de locatie aanwezig zijn. Wanneer beschermde soorten aanwezig zijn en de activiteit mogelijk schade veroorzaakt, moet vervolgens worden onderzocht welke schade de activiteit kan veroorzaken.
Kunnen schadelijke gevolgen niet worden uitgesloten, dan moet je dus verder kijken.
Zie hiervoor het actuele stappenplan Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten van RVO.
Praktisch betekent dit dat vleermuisonderzoek aan de orde komt wanneer er een reële mogelijkheid bestaat dat vleermuizen van het gebouw gebruikmaken én je werkzaamheden hun verblijfplaats kunnen aantasten of de dieren kunnen verstoren.
Bij welke verbouwingen moet je extra alert zijn?
Vooral werkzaamheden waarbij bestaande delen van de gebouwschil verdwijnen, worden geopend of afgesloten verdienen aandacht.
Denk bijvoorbeeld aan:
- het vervangen of renoveren van een dak;
- het verwijderen van dakpannen;
- het dichtmaken van kieren onder dakpannen;
- het vervangen van boeiboorden;
- gevelrenovatie;
- het verwijderen of vervangen van gevelbekleding;
- het isoleren van een spouwmuur;
- het afdichten van open stootvoegen en andere openingen;
- het slopen van een gebouw of gedeelte daarvan;
- grote aanbouwen waarbij de bestaande gevel wordt aangepast;
- werkzaamheden rond schoorstenen;
- het na-isoleren van een dak.
Bij een nieuwe keuken, badkamer of andere volledig inpandige verbouwing waarbij mogelijke verblijfplaatsen niet worden beïnvloed, is de situatie vanzelfsprekend anders.
Het gaat dus niet alleen om wat je verbouwt, maar vooral om de vraag of je door de werkzaamheden een mogelijke verblijfplaats aantast.
Hoe weet je of er vleermuizen kunnen zitten?
Dat is zonder ecologische kennis niet altijd gemakkelijk vast te stellen.
Je kunt soms aanwijzingen zien, maar het ontbreken daarvan betekent niet automatisch dat er geen vleermuizen aanwezig zijn. Een verblijfplaats kan diep in een spouw of constructie liggen.
Een eerste ecologische beoordeling is daarom bedoeld om te onderzoeken of het gebouw geschikt is voor beschermde soorten en welke effecten de geplande werkzaamheden daarop kunnen hebben.
Voor relatief eenvoudige situaties kan ook de Beschermde SoortenIndicator (BeSI) van BIJ12 nuttig zijn. Daarbij vul je een locatie en werkzaamheden in, waarna je informatie krijgt over beschermde soorten die mogelijk relevant zijn.
Je vindt deze tool via Beschermde SoortenIndicator (BeSI) van BIJ12.
BeSI vervangt echter niet automatisch het soortgerichte onderzoek dat in een concreet project noodzakelijk kan zijn.
Hoe verloopt een vleermuisonderzoek?
Wanneer uit de eerste beoordeling blijkt dat een gebouw geschikte verblijfplaatsen kan bevatten en negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan soortgericht vleermuisonderzoek nodig zijn.
Daarbij wordt onderzocht of vleermuizen daadwerkelijk van het gebouw gebruikmaken en welke functie het gebouw voor ze heeft.
Een gebouw kan bijvoorbeeld worden gebruikt als zomerverblijf, paarverblijf, kraamverblijf of winterverblijf. Welke functie aanwezig is, is van belang voor de beoordeling van de gevolgen van de werkzaamheden.
Vleermuisonderzoek is daardoor niet simpelweg één keer ’s avonds voor het huis gaan staan.
Onderzoek moet volgens geschikte onderzoeksmethoden worden uitgevoerd. De benodigde onderzoeksinspanning is afhankelijk van onder andere de soorten die verwacht worden, het type verblijfplaats en het gebouw.
RVO verwijst bij onderzoek naar beschermde soorten onder andere naar soortinventarisatieprotocollen en de kennisdocumenten van BIJ12.
Waarom kan vleermuisonderzoek lang duren?
Dit is iets waarmee je bij de planning van een verbouwing rekening moet houden.
Vleermuizen gebruiken een gebouw gedurende het jaar op verschillende manieren. Sommige functies zijn alleen in bepaalde perioden goed vast te stellen.
Een ecoloog kan daarom niet simpelweg op een willekeurige dag in december langskomen en voor iedere mogelijke functie definitief vaststellen dat er geen vleermuizen aanwezig zijn.
Afhankelijk van de onderzoeksvraag kunnen meerdere bezoeken en verschillende onderzoeksperioden nodig zijn.
Begin je pas vlak voordat de aannemer aan de slag wil met ecologisch onderzoek, dan bestaat dus het risico dat de werkzaamheden moeten worden uitgesteld omdat een geschikte onderzoeksperiode moet worden afgewacht.
Daarom is het verstandig om bij grotere dak-, gevel- en renovatieprojecten al vroeg na te denken over ecologie.
Wie mag een vleermuisonderzoek uitvoeren?
Voor ecologisch onderzoek waarbij de uitkomsten worden gebruikt voor de beoordeling van beschermde soorten of een vergunningstraject is deskundigheid essentieel.
RVO omschrijft een ecologisch deskundige als iemand met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring. Deze persoon moet onder andere leefgebieden van beschermde soorten kunnen herkennen, kennis hebben van algemeen erkende onderzoeksmethoden en ecologische werkprotocollen kunnen opstellen.
Een ecologisch deskundige kan bovendien:
- onderzoeken welke beschermde soorten aanwezig zijn;
- beoordelen wat de gevolgen van werkzaamheden zijn;
- schadebeperkende maatregelen adviseren;
- adviseren over alternatieve werkwijzen of perioden;
- helpen bij een eventuele vergunningaanvraag.
Meer hierover lees je bij RVO – Wat is een ecologisch deskundige?.
Wat als er daadwerkelijk vleermuizen aanwezig zijn?
Het aantreffen van vleermuizen betekent niet automatisch dat je woning niet meer verbouwd mag worden.
Er moet eerst worden onderzocht welke gevolgen de werkzaamheden hebben en of deze gevolgen kunnen worden voorkomen.
RVO maakt daarbij onderscheid tussen verschillende stappen. Na het onderzoek naar de aanwezige soorten en mogelijke schade wordt gekeken naar maatregelen waarmee schade kan worden voorkomen of beperkt.
Denk bijvoorbeeld aan een andere uitvoeringsperiode, het aanpassen van de werkwijze of het behouden of creëren van geschikte verblijfplaatsen.
Kunnen alle schadelijke gevolgen door maatregelen worden voorkomen, dan kan het volgens het stappenplan van RVO mogelijk zijn dat geen omgevingsvergunning nodig is.
Kunnen schadelijke gevolgen niet voldoende worden voorkomen en wordt een wettelijk verbod overtreden, dan is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig.
Is een omgevingsvergunning hetzelfde als vleermuisonderzoek?
Nee. Dat zijn twee verschillende dingen.
Het vleermuisonderzoek brengt de ecologische situatie in kaart. De uitkomsten daarvan helpen bepalen of de werkzaamheden zonder overtreding van beschermingsregels kunnen plaatsvinden en welke maatregelen noodzakelijk zijn.
Een omgevingsvergunning komt pas in beeld wanneer voor de geplande activiteit een vergunningplicht geldt.
Bij een aanvraag moet onder meer worden onderbouwd wat de gevolgen voor de soort zijn, welke alternatieven zijn bekeken en welke maatregelen worden genomen.
Meer informatie hierover staat op RVO – Omgevingsvergunning: wat zijn de regels?.
Mag je een vleermuisverblijf gewoon dichtmaken als de vleermuizen weg zijn?
Dat kun je niet zonder meer aannemen.
De bescherming heeft namelijk niet alleen betrekking op het dier zelf. Ook voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van Habitatrichtlijnsoorten worden beschermd.
Het moment waarop je geen vleermuis ziet, zegt daarom op zichzelf onvoldoende over de vraag of je een opening of verblijfplaats mag verwijderen.
Dat is een belangrijk verschil met het idee dat je simpelweg zou kunnen wachten tot de vleermuis ‘weggevlogen’ is en daarna de opening dicht kunt maken.
Een deskundige moet beoordelen welke functie een verblijfplaats heeft, welke gevolgen de werkzaamheden hebben en welke maatregelen of vergunningen eventueel noodzakelijk zijn.
Vleermuisonderzoek bij spouwmuurisolatie werkt inmiddels anders
Spouwmuurisolatie is een bijzondere situatie. Juist hier is de afgelopen jaren veel veranderd.
Een spouwmuur kan een aantrekkelijke verblijfplaats zijn voor vleermuizen. Bij het inspuiten van isolatiemateriaal kunnen verblijfplaatsen verdwijnen en kunnen aanwezige dieren in gevaar komen.
Tegelijkertijd wil Nederland op grote schaal bestaande woningen isoleren. Individueel uitgebreid vleermuisonderzoek bij iedere woning zou dit aanzienlijk vertragen en duurder maken.
Daarom is gezocht naar andere onderzoeksmethoden.
Sinds maart 2025 kan eDNA worden gebruikt
Sinds 7 maart 2025 is een landelijke eDNA-regeling van kracht voor spouwmuurisolatie.
Met eDNA-onderzoek worden sporen van vleermuizen rond openingen in de spouw verzameld. In het laboratorium wordt vervolgens onderzocht of daarin DNA van vleermuizen aanwezig is.
Bij een negatieve eDNA-test mag volgens de landelijke aanpak worden geïsoleerd zonder aanvullende maatregelen voor vleermuizen.
Bij een positieve test zijn sporen van vleermuizen gevonden. Volgens de actuele landelijke informatie mag dan niet meer simpelweg volgens de eerdere werkwijze voor Natuurvriendelijk Isoleren worden geïsoleerd. Er is dan een ander vervolgtraject nodig.
De actuele uitleg vind je bij Volkshuisvesting Nederland – Natuurvriendelijk Isoleren.
Dit onderscheid is belangrijk, omdat online nog veel informatie over vleermuizen en spouwmuurisolatie staat die dateert van vóór de invoering van de eDNA-regeling.
Hoe zit het met een Soortenmanagementplan?
Er is nog een situatie waarin je mogelijk niet zelf een individueel uitgebreid onderzoekstraject hoeft te doorlopen.
Gemeenten kunnen werken met een Soortenmanagementplan (SMP). Hierbij wordt niet één afzonderlijke woning onderzocht, maar wordt voor een groter gebied gekeken naar beschermde soorten en de maatregelen die nodig zijn om deze duurzaam te beschermen.
Op basis daarvan kan een gebiedsgerichte omgevingsvergunning worden verleend.
Voor woningeigenaren kan dat betekenen dat werkzaamheden onder voorwaarden binnen zo’n gebiedsgerichte aanpak kunnen worden uitgevoerd.
Het is daarom verstandig om vóór een grote renovatie of isolatiemaatregel bij je gemeente na te gaan of er een SMP of vergelijkbare gebiedsgerichte aanpak van toepassing is.
Wat kost een vleermuisonderzoek?
Daar is geen vast landelijk tarief voor.
De kosten zijn onder andere afhankelijk van:
- het type woning of gebouw;
- de omvang van het project;
- het aantal gebouwen;
- de mogelijke vleermuissoorten;
- welke functies onderzocht moeten worden;
- het aantal benodigde onderzoeksrondes;
- eventuele rapportage;
- begeleiding van maatregelen;
- een eventueel vergunningstraject.
Een eerste ecologische beoordeling is vanzelfsprekend iets anders dan uitgebreid soortgericht onderzoek verspreid over meerdere momenten.
Ook het eDNA-onderzoek bij uitsluitend spouwmuurisolatie vormt weer een andere categorie.
Omdat er specifiek wordt gezocht naar kosten vleermuisonderzoek, behandelen we de prijzen, kostenopbouw en verschillende typen onderzoek in een afzonderlijk artikel.
Wie is verantwoordelijk voor vleermuizen bij een verbouwing?
Als initiatiefnemer van werkzaamheden moet je ervoor zorgen dat je je aan de natuurregels houdt.
Dat betekent dat je niet zonder meer kunt aannemen dat de aannemer, dakdekker of het isolatiebedrijf dit volledig voor je regelt.
Vraag daarom vooraf wie verantwoordelijk is voor het ecologische gedeelte van het project en of eventueel noodzakelijk onderzoek daadwerkelijk is uitgevoerd.
Bij professionele renovatieprojecten wordt ecologisch onderzoek vaak al in de voorbereiding meegenomen. Bij particuliere verbouwingen wordt dit onderdeel gemakkelijker over het hoofd gezien.
Wat gebeurt er als je zonder onderzoek begint?
Het grootste risico ontstaat wanneer tijdens of na de werkzaamheden blijkt dat beschermde vleermuizen of verblijfplaatsen worden aangetast.
Werkzaamheden kunnen dan in strijd zijn met de regels voor beschermde soorten.
Daarnaast kan een project praktisch gezien vertraging oplopen wanneer tijdens de werkzaamheden onverwacht vleermuizen worden aangetroffen.
Daarom is vooraf beoordelen vrijwel altijd verstandiger dan tijdens de bouw ontdekken dat er een ecologisch probleem bestaat.
Vleermuisonderzoek en duurzaam verbouwen horen bij elkaar
Op het eerste gezicht lijkt het misschien tegenstrijdig. Je wilt je woning juist verduurzamen, maar vervolgens kunnen beschermde dieren ervoor zorgen dat je niet direct kunt isoleren of renoveren.
Toch horen beide onderwerpen bij elkaar.
Duurzaam bouwen gaat immers niet alleen over energieverbruik en CO₂-uitstoot. Ook biodiversiteit en de ecologische functie van gebouwen spelen een rol.
Bij natuurinclusief renoveren wordt daarom geprobeerd beide doelstellingen te combineren. Een woning kan bijvoorbeeld veel energiezuiniger worden gemaakt, terwijl tegelijkertijd geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen behouden blijven of nieuwe permanente voorzieningen in de constructie worden opgenomen.
Dat past ook binnen een bredere kijk op duurzaam en regeneratief bouwen, waarbij een gebouw niet alleen zo min mogelijk schade veroorzaakt, maar waar mogelijk ook waarde toevoegt aan zijn natuurlijke omgeving.
Wanneer moet je dus aan vleermuisonderzoek denken?
Ga je een woning verbouwen, dan is vooral de aard van de werkzaamheden bepalend.
Bij een volledig inpandige verbouwing zonder gevolgen voor dak, gevel of andere potentiële verblijfplaatsen zal vleermuisonderzoek doorgaans niet voor de hand liggen.
Bij dakrenovatie, sloop, gevelwerkzaamheden, het afsluiten van openingen en andere ingrepen waarbij potentiële verblijfplaatsen verloren kunnen gaan, is het verstandig om al vroeg te beoordelen of vleermuizen aanwezig kunnen zijn.
Kun je negatieve gevolgen voor beschermde vleermuizen niet voldoende uitsluiten, dan is nader ecologisch onderzoek nodig om te bepalen hoe de werkzaamheden binnen de regels kunnen worden uitgevoerd.
Voor spouwmuurisolatie moet bovendien rekening worden gehouden met de sinds maart 2025 geldende mogelijkheid van eDNA-onderzoek en met eventuele gemeentelijke gebiedsgerichte regelingen.
Veelgestelde vragen over vleermuisonderzoek
Nee. Niet iedere verbouwing vereist automatisch uitgebreid vleermuisonderzoek. Of onderzoek noodzakelijk is, hangt af van de werkzaamheden, de geschiktheid van het gebouw voor vleermuizen en de mogelijke gevolgen voor beschermde dieren en hun verblijfplaatsen.
Niet automatisch bij iedere dakrenovatie. Wanneer het dak potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen bevat en de werkzaamheden deze kunnen beschadigen, vernielen of vleermuizen kunnen verstoren, moet je wel voldoende laten onderzoeken wat de gevolgen zijn.
Voor spouwmuurisolatie bestaat sinds 7 maart 2025 een specifieke landelijke eDNA-regeling. Bij een negatieve eDNA-test kan volgens deze aanpak worden geïsoleerd zonder aanvullende vleermuismaatregelen. Bij een positieve uitslag is een ander vervolgtraject noodzakelijk. Ook een gemeentelijk Soortenmanagementplan kan invloed hebben op de procedure.
Dat hangt af van het soort onderzoek en welke verblijfplaatsfuncties onderzocht moeten worden. Soortgericht onderzoek kan aan specifieke perioden van het jaar gebonden zijn en meerdere onderzoeksrondes vereisen. Houd er daarom rekening mee dat het totale traject maanden kan beslaan.
Dat kan in veel situaties nog steeds, maar niet zomaar. Er moet worden bepaald welke gevolgen de werkzaamheden hebben en hoe overtreding van de beschermingsregels kan worden voorkomen. Soms zijn maatregelen voldoende; in andere situaties kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig zijn.
Je kunt zelf letten op mogelijke openingen en waarnemingen en bijvoorbeeld de Beschermde SoortenIndicator gebruiken. Voor een formele ecologische beoordeling of soortgericht onderzoek is het verstandig een ecologisch deskundige in te schakelen.
Bij een individueel bouw- of verbouwproject zijn de kosten voor onderzoek in beginsel onderdeel van het project van de initiatiefnemer. Bij gebiedsgerichte oplossingen, gemeentelijke SMP’s en bepaalde isolatieprogramma’s kan de situatie anders zijn.
De regels en provinciale uitwerking kunnen wijzigen. Controleer bij concrete bouwplannen daarom altijd de actuele situatie bij het Omgevingsloket, de betreffende provincie of gemeente en laat je waar nodig adviseren door een ecologisch deskundige.
